Toch nabij


In het donker
is de stilte van licht een symfonie

in de tranen weerklinken
gesprekken en zinnen
van glimlach en ernst

In de vonken
speelt de vlam met zijn hemel
spreekt hij een ogenblik – zichzelf

parels bewaren wij

tijden van samen
veranderen van vorm
van kaarsvet worden zij
licht

toch nabij,

 

 

Statie -14-

,

(in het graf gelegd)

,

Een ijzig snerpende wind schaaft

langs mijn huid – het afscheid

herhaalt oneindig malen

,

over het lijden heen

woorden zijn zo dun

de magnolia klaar met bloeien

,

Troost kijkt verder dan steen

dichterbij kan je niet komen

dan diep in mij

,

jouw warmte jouw stem

gemis en nabijheid

herhalen oneindige malen,

,

,

,

,

 

,

,

,

 

Statie -13-

,

(van het kruis gehaald
en in de armen van zijn moeder, een pièta)

,

Doof

voor mijn troosten

onbereikbaar nabij

kind -die mij

het leven hoorde

en tussen de regels

woorden vond

.

Leeg ben ik

moeder van mens

en meer. Van

gedoofde kracht en

dood vol leven

.

van herinnering

.

Kan hij mij

de morgen baren?

zo

ontzagwekkend ver,

,

,

,

 

Statie -12-

,

(de laatste adem)

,

hij sterft niet als eerste – en ook

niet als laatste

zelfs niet als de enige

die je herinneren zult

maar

wel als die ene – wiens laatste adem

de eeuwen doorstond

die hoop sprak en vrijheid

van sluimerende schuld

,

alle woorden -ook deze-

zijn te klein -zijn te groot

verdriet is een taal -onbegrepen

die opwekt en dooft

wat we dromen

,

tijd wordt haar wijzer ontnomen

,

sterven wij het leven in?

misschien is zijn laatste adem de eerste

van hoop,

,

,

,

 

Statie -8-

 

 

 ,

(Hij troost de treurenden)

,

Tussen jouw wimpers

de dofheid van onze tranen

,

in onze ogen – gebroken

illusie

we verwachtten verlossing

snakten naar adem

en dachten dat jij

wij – de barenden van leven –

wij dachten dat jij

,

Jij kijkt en ziet

,

op gelittekende huid

parelt troost in het thuisloos

en de massa schreeuwt

maar huilt ongezien mee

,

tussen de distels een roos

die zijn bloemblad verliest,

,

,

,

 

 

Statie -6-

 

 

,

(Veronica veegt zijn gezicht)

,

Jij bent

de trooster

zeiden zij

,

en ik huilde

om het onrecht

aan jou

,

Jij bent

mij mens -stem

en gelaat

,

in de massa

alleen en god-

vergeten

,

Ik heb

enkel stof

als troost

,

Ik leg

jou vast

in mijn geweten,

,

,

,