Gaan wij

Bij een intrigerend mooie foto van de Goudse Jaap van den Berg (“één meter Ameland”)

hij sprak mij
in de sporen van wind en getijde
hij liet mij zijn hartafdruk
achter in levenslijnen van zand

en ik ontmoette

verte en nabijheid
het onbereikbaar en onmisbaar
en mijn sporen -zielsafdruk
liet ik aan water en wind

waar de kust mij kostbaar was

laat mij jouw welvingen strelen
tintel fluisterend op mijn huid
woel door mijn haren
proeven wij zout

zonder te gaan zijn wij onvindbaar
zonder – vloed en verhalen
ongekust,

 

Ameland en het slijtend geheugen

Een vers op een slijtende foto op mijn broodtrommel. En een roep tussen de regels…
,
,

hier zaten we

met de zee aan onze voeten

de meeuwen in ons hoofd

een crème-witte bladzij

in een verhaal zonder slot

,

Ik draag het mee

op mijn broodtrommel

van alledag en dauw

waar al die dagen schaven

als zout zand op hout

,

lunch-box van het traag

vergeten -het wier aan onze voeten

in versleten golven gemis

visdiefjes zoeken -onvoldaan

,

de kleuren verbleken

er bestaat geen herinnering

                  zonder een heden

dus kom,

we moesten maar weer gaan,

,

,

,

 

Heuvels als dagen

,

Op deze heuvels die dagen heten

zwoegt de aarde de zon te vangen

welvende kleuren echoën licht

.

Deze heuvels die dagen heten

verlangen handen om de morgen te planten

onstuitbare lente in elk ogenblik

.

wij zijn de adem van zon – en de handen

bloesem -de heuvels die dagen heten

dragen het land waar ons leven ligt,

,

De voetafdruk draagt een naam

Ze kriebelen op je huid

minuscule vlokken wolken

die aarde kleuren als hemel

het overweldigend zwakke wit

dat roept om te gaan en

om toch te blijven

een blanco blad

wordt over ons gespreid

kleur wordt alle kleuren

bomen schaduwen zacht

en even lezen wij elkaar

een vers- waar

onze voetstappen schrijven
,

naamloos ligt de tijd

onze naam te dragen,

 

 

 

,

,

,