Uit het grijs

Bij werk van Anselm Kiefer ….
(een inleiding tot vrij zijn)

Ik loop door het grijs
blote voeten met eelt
de aarde dichtbij -mij
toch nog zo vreemd

de dromen dartelen
de cijfers drijven -op
dag en dauw en ik
verdrink traag

in haastige leegte-

als een eenvoudig ontmoeten
mij wekt -jouw glimlach-
en ik mijn wezen
in jouw diepte weer vind

langzame kleuren
ontvouwen in tijd
ontluiken ontvangen
terwijl licht ons verbindt,
,

,

,

,

 

Zij leest de wereld open

Op een boeiend werk van Hans Versfelt
(zijn lezende dochter)

Ik zie haar haren dansen 
in stormwind tegenlicht
zij sjort aan ruwe kabels
mast en zeil waarin zij klimt

Ik zie haar het onbekende land 
betreden – blote voeten op het mos
haar ogen glinsteren -tijdloos
de ongewisse toekomst tegemoet

Ik zie haar de wereld groeien
en zij groeit bladzijden mee
ieder blad een expeditie
de boom draagt er zo veel

Eindeloos 
herbergt de taal verhalen
waarin zij leeft - beleeft
Het papier heeft een stem
en zij luistert de stilte mee,

 

Toch nabij


In het donker
is de stilte van licht een symfonie

in de tranen weerklinken
gesprekken en zinnen
van glimlach en ernst

In de vonken
speelt de vlam met zijn hemel
spreekt hij een ogenblik – zichzelf

parels bewaren wij

tijden van samen
veranderen van vorm
van kaarsvet worden zij
licht

toch nabij,

 

 

Gaan wij

Bij een intrigerend mooie foto van de Goudse Jaap van den Berg (“één meter Ameland”)

hij sprak mij
in de sporen van wind en getijde
hij liet mij zijn hartafdruk
achter in levenslijnen van zand

en ik ontmoette

verte en nabijheid
het onbereikbaar en onmisbaar
en mijn sporen -zielsafdruk
liet ik aan water en wind

waar de kust mij kostbaar was

laat mij jouw welvingen strelen
tintel fluisterend op mijn huid
woel door mijn haren
proeven wij zout

zonder te gaan zijn wij onvindbaar
zonder – vloed en verhalen
ongekust,

 

Wij drijven

Het eerste deel van het ineen verstrengelde gedicht dat ik voordroeg op de Rederij de Vrijheid op Dichters op Donderdag. Thema van de avond was “Op drift” ….

Ankerloos – wij drijven
blozend op het levend blauw
en ons dromen en verlangen
is al vele mijlen verder
dan het plits plats ritmisch plonzen
van de spanen in ons hand
.
Oeverloos – wij drijven
tussen lijnen ongezien
enkel onze ogen nog de spiegels
waarin tijd en ruimte traag vervaagt
tot het wiegen van de vrijheid
van gedeelde huid
.
Eindeloos – wij drijven
op genade van het strelend blauw
windstil – onze riemen
wachten – ooggetuigen
van ons samengaan
.
Reddeloos – wij drijven
in elkaar gewonnen en verloren
.
de seizoenen
tegemoet,

,

,